Advies RUP Ter Linden

Advies Milieu Advies Raad:

Toekomstgericht denken…

Meer dan elk ander RUP geeft de geschiedenis van dit plan aan dat het belangrijk is dat een RUP toekomstgericht moet zijn. Amper na 10 jaar bleek het vorige plan niet aangepast te zijn. Het heeft uiteindelijk nog 20 jaar geduurd vooraleer er nieuw plan gekomen is.

De milieuraad gaat er van uit dat voorschriften in principe niet dienen om te beteugelen en beknibbelen, maar wel om positieve signalen te geven en kansen te creëren. De voorschriften zouden architecten en burgers moeten stimuleren om betere en meer duurzame ontwerpen te realiseren. Een nieuw plan is enkel zinvol indien er ook oplossingen geboden worden aan de bestaande en gekende problemen van de buurt i.p.v. deze te versterken (vb. bouwprofielen en parkeerproblemen).

Het huidige RUP is volgens de milieuraad te restrictief opgesteld om toekomstige technische en maatschappelijke evoluties toe te laten. De ontwerpers zouden niet uit het oog mogen verliezen dat:

… is duurzaam denken.

De milieuraad adviseert om voor alle nieuwe woningbouwprojecten en grote verbouwingen de principes van duurzaam bouwen te hanteren. De woningen en gebouwen zouden kwalitatief van hoog niveau moeten zijn wat betreft uitstraling, gebruik en onderhoud.
De volgende criteria dienen meegenomen te worden bij de beoordeling van projecten: oriëntatie, compacte opbouw, indeling en vormgeving van het gebouw, comfort, licht en binnenmilieukwaliteit, energieprestaties, duurzame bouwmaterialen, … .
Voor alle nieuwe gebouwen dienen maatregelen genomen te worden voor een efficiënt energiegebruik, ruimtegebruik en afvalwaterbeheer en voor de opvang, buffering en mogelijk hergebruik van het hemelwater.

Nood aan een moderne bouwverordening…

De 20 jaar oude Mortselse bouwverordening heeft geen oog voor moderne inzichten rond duurzaam bouwen. In afwachting van een geactualiseerde versie van dit document, vraagt de milieuraad om de bepalingen van de RUP’s hierop te laten anticiperen.
Daarom staan in de volgende paragrafen een aantal suggesties die misschien op het eerste zicht niet helemaal passen in een RUP, maar die volgens de milieuraad toch kunnen bijdragen tot een duurzame ontwikkeling van het plangebied.

Lokale energieopwekking

De dakvorm (oriëntatie, helling, opbouw, …) moet een optimale toepassing van zonnepanelen en –collectoren mogelijk maken. Maar niet alleen het gebruik van zonnepanelen of –collectoren moet toegestaan zijn voor lokale energieopwekking. Het toepassen van andere nieuwe of innovatieve technologieën mag niet gehinderd worden door al te strikte, niet flexibele stedenbouwkundige voorschriften.

Het dak als betreedbare groenzone:

De milieuraad wijst op het onmiskenbare nut van een groendak: isolatie, vertraagde regenwaterafvoer, milderen van zomerse oververhitting van de stadskern, bevorderen van de biodiversiteit, bijkomende betreedbare open ruimte, ….

Het gebruik van (ten minste) extensieve dakbegroening (groendak dat weinig onderhoud vereist, vb. onderhoudsarme vetplantjes i.p.v. grassen en kruiden die meerdere malen per jaar gemaaid moet worden) dient opgelegd te worden bij platte groendaken, zowel bij nieuwbouw als bij grondige renovaties met uitzondering van:

De milieuraad vraagt aan het stadsbestuur het formele engagement om bij nieuwbouwprojecten in functie van gemeenschapsvoorzieningen het gebruik van groendaken voor de platte daken verplicht te maken.

Veilige daken:

Door het gebruik van platte daken uit te breiden tot groenzone, leefzone en energiezone is er ook nood aan een eenvoudige daktoegang zodat goedkoop en veilig onderhoud mogelijk is. De stedenbouwkundige voorschriften dienen daarom degelijke daktoegangen mogelijk maken (en dit niet alleen voor de gebouwen voor gemeenschapsvoorzieningen zoals nu voorzien).

Buitenzonwering:

Bij goed geďsoleerde woningen wordt gestreefd naar het realiseren van zonnewinsten. Dit kan in de zomermaanden leiden tot oververhitting indien dergelijke woningen niet over voldoende (buiten)zonnewering beschikken. Het is aangewezen dat uitsprongen uit het gevelvlak voor buitenzonnewering mogelijk zijn in gans het plangebied.

Flexibele bestemming:

Voor halfopen woningen en kopwoningen is onderscheid tussen bijgebouwen en hoofdgebouw zoals gemaakt in art. 6, 7 en 9 uit de tijd en te strikt. De milieuraad vraagt om bij dergelijke percelen beide volumes samen te nemen zodat de functie “bijgebouw” mogelijk is in het woongedeelte en omgekeerd. Dit geeft de ontwerper meer vrijheid om de best mogelijke indeling van het gebouw te realiseren in functie van wooncomfort en energie zonder dat er bijkomende ruimtebeslag is.

Is het RUP meer dan knip en plakwerk?

Naast het ontbreken van fundamentele keuzes voor duurzaamheid wijzen verschillende elementen in het plan op “knip- en plakwerk” waardoor de binding met de lokale situatie wel erg ver zoek is. Het ontwerp RUP getuigt van een gebrek aan lokale terreinkennis en het ontbreekt naar de mening van de milieuraad aan een creatieve en kritische aanpak. Mortsel verdient beter dan dit knip en plakwerk …

Ter illustratie en staving kunnen onder andere volgende merkwaardige passages aangehaald worden (maar meer punten zullen verder in dit document volgen):

(ter info: de gegevens kloppen perfect met de situatie eind twintigste eeuw wanneer er voor het eerst gewerkt werd aan een nieuw plan:

De milieuraad heeft duidelijk vragen bij de ernst waarmee het plan opgesteld is en vraagt dat het document op een kritische wijze herbekeken wordt en aangepast wordt aan de bestaande situatie. Indien bij dit proces nog andere onvolkomenheden aan het licht komen, dient in het plan hierop ingespeeld te worden.

Een RUP is immers geen verplicht nummertje om nieuwbouwplannen mogelijk te maken en bouwovertredingen te regulariseren. Het dient blijk te geven van een open en kwaliteitsvolle langetermijnvisie (met een horizon van meer dan 30 jaar).

Creatieve invulling van de zone:

De milieuraad vraagt om meer visie om te komen tot een aantrekkelijke planzone met meerwaarde. Ter illustratie wordt verwezen naar het behoud van het huidige stratenpatroon Hollandse Tuin – Elf Julistraat – Hof ter Linden. De ontwerper had bijvoorbeeld kunnen kiezen voor het doorbreken van het bestaande stratenplan zodat het terrein een creatievere en meer uitdagende invulling zou kunnen krijgen.

De groene inkleuring van de groenzone met erffunctie (art. 12) op het grafisch plan wordt door de milieuraad als misleidend ervaren. De groene zone zal voor een belangrijk stuk “grijs” zijn door de aanleg van wegenis, het realiseren van parkeerplaatsen, de aanwezigheid van een versteend plein en het vrijblijvende karakter voor het opbreken van de bestaande wegenis.

De milieuraad vreest dat de mogelijkheid van “behoud en onderhoud van bestaande wegenis” in art. 12 niet zal leiden tot het effectief creëren van de beoogde zachte infrastructuur (zie ook opmerkingen in het punt “water…”).

Natuur:

In het richtinggevend gedeelte wordt erkend dat “Op delen van de open ruimte binnen het plangebied bevindt zich een vrij groot aantal hoogstammen. Het gaat om een klein bos, een aantal bomen in tuinen of op braakliggende percelen en de dreven Hollandse Tuin, Hof Ter Linde en Meerminne.”
Verder wordt gesteld dat:

In het document vinden we evenwel geen inventaris terug van waardevolle bomen. We denken vb. aan een oude notenboom en hoogstamfruitbomen die nog stammen uit de tijd van de volkstuintjes. Er zijn evenmin compensaties voorzien voor het aanzienlijke verlies aan stedelijk groen.

Mortsel is reeds een van de meest dichtbebouwde gemeenten van Vlaanderen. Daarom vraagt de milieuraad de versnippering van grote open ruimtes te stoppen. Indien nieuwe infrastructuur noodzakelijk is, dient er trapsgewijs:

  1. Gezocht te worden naar alternatieven voor nieuwe bebouwing (vb. herbestemming of aanpassing van het amper 25 jaar oude RVT Meerminne).
  2. Nieuwe bebouwing te koppelen aan afbraak van bestaande infrastructuur.
  3. Gekozen te worden voor een zo groot mogelijke aaneensluitende open ruimte. (vb. bouwblokken verschuiven zodat er één grote tussenruimte ontstaat i.p.v. verschillende kleinere open plekken).
  4. Nieuwe bebouwing te plaatsen op plekken waar minder beslag gelegd wordt op groene open ruimte (vb. bebouwing op een verhard pleintje i.p.v. in een groen zone).

De milieuraad vraagt om in het RUP een voldoende ambitieuze normwaarde op te nemen voor openbaar en privaat groen. Deze zou bvb. uitgedrukt kunnen worden in het aantal m˛ openbaar en privaat groen dat per inwoner beschikbaar zou moeten zijn binnen een afstand van x (nog te bepalen) meter. Hierbij dient niet alleen rekening gehouden te worden met de bewoners, maar ook met de occasionele gebruikers zoals jeugdbewegingen en scholen.

Water…

Om de negatieve effecten van bijkomende bebouwing en verharding op de waterhuishouding te milderen, wordt enkel in het richtinggevend gedeelte verwezen naar de aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel, het gebruik van waterdoorlatende materialen voor de aanleg van de parkings en het omvormen van bestaande wegenis tot groengebied (dat zorgt voor bodemvorming en infiltratiemogelijkheden).

De milieuraad heeft zijn twijfels of deze maatregelen voldoende zijn én of ze effectief gerealiseerd gaan worden:

De milieuraad vraagt om in het kader van het waterbeheer expliciet de nodige maatregelen en waarborgen in het plan in te bouwen zodat de geplande werken geen negatieve impact hebben op:

Open groene ruimte voor de jeugd:

De kinderen en jeugd(verenigingen) hebben open ruimte nodig om op adem te komen en buiten te kunnen spelen. Het zuidelijke deel van RUP Ter Linden wordt hiervoor intensief gebruikt. Het is het enige voor Mortsel dorp veilig bereikbaar stuk openbaar groen. De milieuraad brengt volgende doelstelling van het GRS (Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan p 169) voor het stadsdeel even in herinnering: “Realisatie van bijkomende speelruimte en jeugdlokalen bij (her-)inrichting groengebieden”.

Door de realisatie van bijkomende woningen op hoek Elf julistraat / Hof Ter Linden gaat echter een groot stuk open ruimte verloren dat intensief gebruikt wordt door de scholen en jeugdbewegingen uit de Jacob Van Arteveldestraat én de Van Dyckstraat.

De stad subsidieerde recentelijk de bouw van een nieuw jeugdlokaal met een “terras annex speelplein” dat rechtstreeks én conflictloos aansluit op het speelplein “Ter Linden”. De realisatie van een kiss&ride-zone op dezelfde plek maakt het concept van deze jeugdlokalen kapot nog voor ze afgewerkt zijn.

De milieuraad wenst er ook op te wijzen dat het GRS (p. 140-141) enkel verdichting van de bebouwing voorziet in de zone Hollandse Tuin-Liersesteenweg-Kerkstraat-Elf Julistraat. Voor de bestaande speelzone ten westen van Hof Ter Linden (zone Elf Julistraat-Ter Linden- Jacob Van Arteveldestraat legt het GRS echter geen verdichting op.

Veilige schoolomgeving:

Het keren van het verkeer van de (doodlopende) kiss&ride-zone vormt een veiligheidsprobleem voor de zwakke weggebruikers (voornamelijk schoolgaande jeugd). Doordat alle verkeer via dezelfde weg zal moeten terugkeren als langs waar ze gekomen zijn, zal de drukte voor de schoolpoort verdubbelen.

Schoolbussen kunnen nu veilig stilstaan in Hof Ter Linden. In het nieuwe plan kunnen ze ook niet meer zonder te keren de school bedienen, wat een bijkomend veiligheidsrisico vormt.

Fietsenstallingen:

Gezien de stad Mortsel kiest voor duurzame mobiliteit en het fietsgebruik gestimuleerd wordt, verbaast het de milieuraad dat fietsgebruik niet aangemoedigd wordt door het voorzien van goede stal- en parkeermogelijkheden voor fietsers (noch voor de (oude) bestaande bebouwing die nauwelijks voorzieningen hebben, noch voor de nieuw te realiseren projecten).

De milieuraad vraagt dat het RUP voorziet in:

Parkeren:

Het herzien van het BPA wordt gemotiveerd met “het garageverbod in de woning moet binnen het plangebied kunnen worden opgevangen”.
Verder lezen we dat:

Als het garageverbod binnen het plangebied opgevangen moet worden, dan moet men rekening houden met volgende cijfers: de 166 wooneenheden beschikken slechts over 51 parkeerplaatsen op eigen terrein.

Bij deze cijfers werd geen rekening gehouden met bezoekers OCMW, dienstencentrum, serviceflats en bejaardentehuis (slechts 12 plaatsen op eigen terrein voor bezoekers en personeel) en met de centrale appartementen (beschikken over eigen parking). Daarnaast moeten ook parkeerplaatsen voorzien worden voor:

In het nieuwe RUP worden een aantal bestaande garages niet meer ingekleurd als art 9 (zone voor bijgebouwen). Het betreft o.a. een recent vergunde grote carport (4 plaatsen) aan de Liersesteenweg, een 6-tal garages in de Elf Julistraat ter hoogte van de Kerkstraat en 11 garages in de Van Arteveldestraat. Een aantal hiervan waren in het bestaande BPA ingekleurd als garage, maar zijn volgens het nieuwe plan schijnbaar gedoemd te verdwijnen.

Op de koppen van de woonblokken (art. 7) zijn ook nog enkele mogelijkheden om garages te creëren (art.9) zonder dat er kwalitatieve open ruimte verloren gaat.

In het nieuwe RUP blijft het onmogelijk om bij de bredere bouwpercelen (> 6 meter) gelijkvloers wonen te combineren met een garage (de facto ook fietsenstaling/bergruimte). Deze bepaling lijkt ook een relict te zijn dat overgenomen is uit het bestaande BPA. Andere RUP’s over gelijkaardige straten in Mortsel kennen dit verbod immers niet.
Het nieuwe RUP creëert een ongelijkheid: de woningen voor het realiseren van een woonaanbod (art. 4) mogen én moeten parkeerplaatsen realiseren binnen hun zone terwijl dit voor de meeste andere woningen (art. 6) in het plangebied verboden is.

Door de reorganisatie van de publieke ruimte (art. 12) stelt de ontwerper dat er +/- 75 langsparkeerplaatsen verdwijnen in het binnengebied die gecompenseerd worden door even grote randparkings (art. 14). Uit tellingen blijkt dat het binnengebied echter minstens 110 parkeerplaatsen voorziet aan de buurtbewoners. De capaciteit van de randparkings is dus niet voorzien op de reële situatie.

De 75 parkeerplaatsen kunnen bovendien niet gerealiseerd worden op de aangegeven ruimte. Op de ontwerpschetsen zijn ze gerealiseerd door de plaatsen optimaal in te vullen maar… ter hoogte van Liersesteenweg zijn 7 onbereikbare plaatsen ingekleurd én de parking Elf Julistraat blokkeert de uitgang van twee bestaande garages. Ook laat de compacte structuur van de parking de opgelegde aanplant van 1 hoogstamboom per 5 parkeerplaatsen in een kwalitatief voldoende groot plantgat niet toe.

De MER-studie voorziet ook 1.5 parkeerplaats per nieuwe wooneenheid. Het RUP legt slechts één per wooneenheid op. De studie voorziet ook 0.5 parkeerplaatsen per wooneenheid (+/- 60) in het woonzorgcentrum. Ook dit wordt niet gehaald door de norm van het nieuwe RUP (+/- 50)

Samengevat: de milieuraad vraagt een realistische planning van de parkeermogelijkheden in het plangebied die tegemoet komt aan de noden van de buurt, evenwel zonder afbreuk te doen aan het schaarse Mortselse groen.

Een harmonisch bouwprofiel:

Het herzien van het BPA wordt gemotiveerd met “een invulbouw welke inspeelt op de bestaande bebouwing en architectuur is wenselijk”.

Ook vermeldt het RUP dat “Door aangepaste stedenbouwkundige voorschriften … , kwalitatief kan worden ingepast en harmonisch kan worden aangesloten aan de bestaande toestand.”

Het RUP wil door het opleggen van strikte bouwprofielen hieraan een eind maken. Naar de mening van de milieuraad is dat streven bij voorbaat onrealistisch. Uniformiteit is enkel mogelijk bij grotere projecten waar gebouwen samen ontworpen en gerealiseerd worden, een situatie die in voorliggend RUP weinig waarschijnlijk is. De wijk die we nu kennen, is immers het resultaat van bijna 100 jaar bouwgeschiedenis met de daarbij horende heterogeniteit van de woningen.

Omdat vervangbouw een trage beweging is, zal het in ieder geval nog vele decennia duren voor dit “homogene” streefbeeld gerealiseerd is. Daarenboven creëert dit beleid nieuwe problemen: onafgewerkte gevels van gebouwen die hoger of lager zijn dan het naastliggende gebouw met de daarbij horende slechte isolatie en koudebruggen.

De opgelegde bouwprofielen van 6,00 m en 9.00 m komen bijna nergens in het plangebied voor. (zie figuur hiernaast)

Voor dit RUP kan men zich best spiegelen aan de erg realistische en pragmatische filosofie achter de nieuwe bouwvoorschriften van stad Antwerpen:

Harmonie
In de stad zijn de meerderheid van de gebouwen echter geen monumenten of waardevolle gebouwen. Het zijn gebouwen die op zich niet noodzakelijk een bijzondere beeldwaarde hebben, maar in de samenstelling ervan ontstaat wel een zeer leesbare stuctuur.
Verschillende panden samen vormen een eenheid, een straatbeeld, een bouwblok of een typische wijk. Het is daarom essentieel om bij toevoegingen of wijzigingen aan bestaande gebouwen of bij nieuwbouw steeds de ruimere context van de werken te bekijken en de voorgestelde werken uit te voeren “in harmonie met de omgeving”. Met “harmonie met de omgeving” wordt bedoeld het samengaan van het gebouw met zijn omgeving.

In gebieden waar de bebouwing een sterke samenhang vertoont, zal het over het algemeen wenselijk zijn om de schaal en de geleding van de bestaande bebouwing te volgen. Hiermee wordt niet bedoeld dat alle uiterlijke kenmerken zomaar gekopieerd moeten worden. Het gebouw moet dus niet uniform of eenvormig zijn met zijn omgeving maar wel een bewuste relatie aangaan met zijn omgeving. In sommige gevallen is het denkbaar dat ook een contrast of een interpretatie kan zorgen voor het goed samengaan van het gebouw met de omgeving, zeker wanneer dit de kwaliteit van de omgeving ten goede komt. Daarom is het aangewezen om het gebouw in een ruimer gebied te zien omdat op die schaal de harmonie duidelijker merkbaar is. Dit ruimer gebied is het referentiebeeld om de harmonie aan te toetsen. Soms is het referentiebeeld een bouwblok of een wijk, andere keren is de straat zelf een uitstekend referentiebeeld om de harmonie te bepalen, maar meestal kijkt men naar de gebouwen langs dezelfde zijde van de straat als het gebouw waarvoor de bouwaanvraag wordt ingediend en dit van straathoek tot straathoek. Het gebouw wordt steeds bekeken vanuit een logisch geheel in de omgeving waar een harmonische samenhang merkbaar is.
Harmonie is een uitermate interpretabel gegeven en elke aanvraag zal daarom apart beschouwd moeten worden.

Verder dient opgemerkt te worden dat de situatie voor het opgelegde bouwprofiel voor woningen met schuine daken (profiel a - kroonlijst 6 meter) niet realistisch is.
In deze nu reeds homogene woonblokken met recente woningen ontbreken nog enkele huizen. De opgelegde bouwhoogte stemt echter niet overeen met de hoogte van de bestaande woningen (0.5 ŕ 1 meter verschil) zodat het RUP de homogeniteit en de daarbij horende problemen gaat versteken.

Een andere anomalie bij het streven naar een harmonisch bouwprofiel vormt Art. 4 projectzone A (Hoek Vestinglaan/Meerminne). Daar waar de bestaande woning aansluit bij de naastliggende woningen (2 bouwlagen met schuin dak – plat dak), wordt in het nieuwe RUP een gebouw met 3 bouwlagen met ev. een schuin dak aangegeven. Bovendien wordt voor deze projectzone geen voortuinstrook opgelegd zoals voorgeschreven is voor de omliggende straten.

Een toekomstgericht bouwprofiel:

Het RUP stelt dat “Door aangepaste stedenbouwkundige voorschriften en de juiste planinrichting moeten nieuwe en voldoende bouwkansen mogelijk worden zoals (ver)nieuwbouw aangepast aan de woonbehoefte”

Zoals hiervoor al aangegeven werd, stelt de milieuraad vast dat in het RUP vastgehouden wordt aan strakke bouwprofielen met vaste bouwhoogten van 6 en 9 meter. De bouwhoogtes zijn echter niet afgestemd op het realiseren van energieneutrale of nul-energie woningen met een goede woonkwaliteit: voldoende hoge lokalen en plaats om de technieken in onder te brengen. Het bouwprofiel zal toekomstige bouwers wellicht opzadelen met kosten en ongemakken.

De milieuraad stelt voor om de bouwhoogte voor de bouwprofielen te verhogen met 0.5 ŕ 1 meter, een ingreep die niemand zal opvallen, en daarenboven een tolerantie aan de eis toe te voegen zodat er sprake is van flexibiliteit.

  2 bouwlagen (profiel b) 3 bouwlagen (profiel c)
Vloerdikte 0.40 m 0.40 m
Woonruimtes (*) 2 * 2.60 m = 5.20 m 3* 2.60 m = 7.80 m
Tussenvloeren 0.25 m 2 * 0.25m = 0.5 m
Dak met isolatie 0.40 m 0.40 m
Dakopstand/ brandmuur 0.30 m 0.30 m
Totaal nodig: 6.55m 9.40 m

(*)   gebaseerd op minimale hoogte van de nieuwe bouwcode stad Antwerpen

Ook de voorgeschreven hoogte van de dakkapellen (max. halve dakhoogte) komt in conflict met de noodzaak om een voldoende dikke dakisolatie te voorzien (zie tabel hieronder).

  Schuin dak (helling 45°, bouwdiepte 9 m, hoogte 4.5 m)
Woonruimtes (*) 2.60 m
Dak met isolatie 0.40 m
Dakopstand 0.10 m
Totaal nodig: 2.70 m
 (waarbij de voorgeschreven maximum = 2.25 m)

(*)   gebaseerd op minimale hoogte van de nieuwe bouwcode stad Antwerpen

De technische bouwlaag moet mogelijk gemaakt worden om bv. zonnepanelen en andere technische installaties (onvermijdelijk binnen de huidige EPB-normen) toch boven het dak te laten uitsteken, maar op een verdoken manier, onzichtbaar van op de begane grond. Technische installaties omwille van milieuvriendelijke maatregelen en arbeidsveiligheid (ventilatieschouwen, zonnepanelen, borstweringen, …) mogen niet gehypothekeerd worden door al te strikte bouwvoorschriften.

Grootte van de woningen:

De gemeentelijke woonstudie bevestigt dat de bevolkingsopbouw verandert: een verouderde bevolking en kleinere gezinnen. De vraag naar goedkope koop- en huurwoningen neemt hierdoor tevens toe evenals de vraag naar woningen voor kleine gezinnen.

Verder wordt gesteld dat: “Door aangepaste stedenbouwkundige voorschriften en de juiste planinrichting moeten nieuwe en voldoende bouwkansen mogelijk worden zodat (ver)nieuwbouw aangepast aan de woonbehoefte…”.

Anderzijds wordt bij vernieuwbouw een bouwprofiel opgelegd dat enkel geschikt is voor kroostrijke gezinnen. (vb. 3 bouwlagen, 17 meter diep = woning met 5ŕ 6 ruime slaapkamers). Het omvormen van dergelijke percelen tot kleinere meergezinswoningen is de facto onmogelijk omdat de bouwvoorschriften (art. 6.1) duidelijk stellen dat

Maar dit is niet mogelijk omdat:

Bovenstaande regel maakt zorgwonen (kangoeroewonen, een woning opdelen dat oudere bewoners hun woning kunnen delen met jonge gezinnen) in de praktijk onmogelijk omdat opdelen gelijk staat met een garageverplichting die niet te realiseren is.

Overgang tussen groenzone en de tuinen van de omwonenden:

Omwille van de privacy en de rust van de omwonenden is het aangewezen om tussen de omwonenden en de groenzone met erffunctie (art. 12) een bufferzone op te leggen.

Erfscheidingen tussen de groenzone en de aangrenzende tuinen mogen geen belemmering voor het migreren van kleine zoogdieren. Gesloten afsluitingen tot op de bodem worden door de milieuraad daarom negatief geadviseerd.

Sociale woningbouw:

De milieuraad doet geen uitspraak over het al dan niet inplanten van sociale woningen in het plangebied, noch over het aantal sociale woongelegenheden die er geconcentreerd worden.

Tot slot…

Vanuit het stadsbestuur werd het initiatief genomen om de adviesraden vooraf in te lichten over nieuwe RUP’s zodat opmerkingen en bijsturingen in een vroeg tijdstip van de besluitvorming mogelijk is. Dit principe wordt door de milieuraad als zeer nuttig ervaren.

Voor RUP Ter Linden is er een voorafgaand informatiemoment geweest. Dit bestond echter enkel uit een vage planschets waarbij de invulling van de zone “skateramp” nog niet bekend was.

Dit advies is omvangrijk geworden omdat de milieuraad pas kennis had van de detailplannen en de bouwvoorschriften op het moment dat het openbaar onderzoek gestart is. Uit het advies blijkt dat er volgens de milieuraad nog heel wat werk is aan het RUP om tot een kwaliteitsvol resultaat te komen.

 

Meer info:

[Adviezen]

laatste wijziging:27/04/11